Column Jerry Afriyie: ‘Een onverwachte bondgenoot’ in de strijd tegen gender geweld en vrouwenhaat.
juli 1, 2023

Deze column werd in 2023 gepubliceerd in de bundel ‘Voorbij de verbijstering‘. In de bundel laten Renée Römkens, Anja Meulenbelt en Tessel ten Zweege zien dat gendergerelateerd geweld diep geworteld zit in onze cultuur en vele gedaantes aan kan nemen.

Ik ben een man. Van mijn kuiten tot de sterke botten in mijn gezicht, mijn robuuste stem, mijn schaamteloze geneugten tot aan mijn uitpuilende okselhaar. Van mijn onverzorgde rugharen tot aan mijn scherpe teennagels, ik ben ik en ik mag er zijn.

De eerste elf jaar van mijn leven heb ik in Ghana, mijn geboorte land doorgebracht. Enkele jaren na mijn geboorte, voordat ik het zingende gezicht van mijn moeder kon opslaan, verhuisde ik met mijn oma en tantes naar Kumasi, de tweede stad van Ghana en op 20 minuten rijafstand van mijn geboortewieg in Bechem. Mijn moeder had op jonge leeftijd twee kinderen maar studeren zou ze. Geef haar maar ongelijk, als je een van de slimste bent op aarde. Mijn oma wilde haar last verzachten en nam mij mee op haar rug in een kente geweven draagdoek. Onder haar hoede, in haar huis, samen met mijn tantes en andere vrouwen, betrad ik de wereld van vrouwen, onder constante dreiging van mannengif.

Kinderen van god
Jongens groeien op met jongens en meisjes groeien op met meisjes. Ik groeide op met jongens en wij zagen, naast wat wij hoorden, met eigen naakte ogen wat een man óók was. Een man was vele dingen, maar met name het hoofd en dominant, duldde geen weerwoord en stond in aanzien. Jaloezie als een andere man het beter deed of geliefder was. Een man kon doden voor zijn geliefde en zijn geliefde doden. Onder het mom van ‘passionele moord’, stond de passionele moordenaar over enkele jaren weer buiten femicide te plegen. Een man deed dingen met en tegen vrouwen die hij zelf niet terug wilde verdienen. Een man deed veel en veel ging door de man heen, en glipte uiteindelijk door zijn handen, maar raar genoeg zagen we hem nooit kermen van de pijn of een traan laten. En ergens denk ik als hij dat deed, mijn matties en ik hem waarschijnlijk niet meer geloofwaardig hadden gevonden als man. We hadden ons dan voor de voeten gegooid van een andere man die niet zoveel van ons vroeg. Emotionele groei kwam niet voor in onze gevulde rugzakken. De praktijk, wat we met onze ogen zagen, had meer effect op onze zintuigen dan het verhaal dat ons werd voorgehouden. En beetje bij beetje ruilden wij onze unieke zelven in om een man te zijn. Een zwarte man, welteverstaan.

Wij waren op aarde gezet om de tradities van vrouwenhaat (misogynie) voort te zetten. Ook vrouwen hielpen mee, graag zelfs, ook al ging het tegen hun belangen in (geïnternaliseerde misogynie). We waren kinderen van god, rechtschapen, maar onophoudelijk werd het patriarchaat ons aangereikt in stilte. Soms met een knipoog, soms met een knik, maar al te vaak met een luid schouderklopje. Zonder woorden, zonder jargon, zonder mitsen en maren, zonder instemming, werd ik gemaakt. Een zwarte man.

Liever een andere man
Het werd mij mentaal ingeslagen om een man te zijn, er als een man uit te zien, op te komen voor mezelf als een man, kinderen te maken zoals een man zou doen en voor iedereen te zorgen zoals een man hoort te doen. Een man moest en zou ik worden.


Maar naarmate ik ouder werd vereenzelvigde ik mezelf met vrouwen, met name met de zwarte vrouwen die mij liefdevol opvingen zodat mijn moeder kon studeren. Ik wist dat ik een man was maar wilde ze geen pijn doen net als de andere mannen, die er niet alleen met hun harten vandoor gingen maar ook met hun eigenwaarde, toekomstperspectief en vaak hun onafhankelijkheid; Zij bleven achter met de kinderen en de financiële worsteling die daarop volgden.

Ik wist zeker dat ik beter wilde zijn dan de man van gisteren, maar tot wie kon ik mij wenden? Je was een man of niet en ik was een man. En toegegeven, het was ook fijn om te horen: jij bent de man van het huis en als je later een vrouw vindt mag ze zich gelukkig prijzen met een man zoals jij. Het probleem was dat ik al een gevaar vormde voor vrouwen voordat ik de peutertijd erop had zitten. Mijn man-zijn scholing zat er bijna op. Ik was toen al geïnfecteerd met de vooroordelen dat vrouwen hulpbehoevend waren en een man voor het gezin moest zorgen – het effect van mannenpraat en mediaconsumptie. Als je daarbovenop hoort dat een vrouw blij met je moet zijn, praat je algauw schadelijke normen en waarden recht en wuif je maatschappelijke kritiek weg.

Gaandeweg, dwalend in de mannenwereld, begon ik mijn mannelijk privilege te bevragen. Het kost je een rib uit het vrome lijf om een man te zijn. Ik moest mij groot houden terwijl ik van binnen kapot ging, van competitiedrift tot onderzekerheden of ik man genoeg ben. Ik heb met harten gespeeld die zachtjes aan mij werden toevertrouwd. Toen ik besefte dat mijn man-zijn dezelfde kwaden zou voortbrengen als die de vrouwen uit mijn kindertijd hadden ondergaan, wilde ik ervan af. Op heel veel momenten in mijn leven wilde ik geen man meer zijn. Ik wilde geen man meer zijn toen ik zag hoe man-zijn mijn ouders uit elkaar dreef. Hoe man-zijn mijn huishouden verscheurde, hoe man-zijn een land en haar vruchtbare grond en natuur, een continent en het voortbestaan van de mensheid corrumpeert. Op zoveel momenten denk ik, ik ben liever een andere man.

Zwarte vrouwenwereld
Ik heb me vaker veiliger gevoeld bij vrouwen dan bij mannen. Ik heb altijd meer mezelf kunnen zijn bij vrouwen dan bij mannen. In Kumasi was ik lange tijd de enige ‘man’ in het huishouden. Ik zag dates, vriendjes, husbands en ooms de revue passeren, maar ik was de vaste ‘man’. Mijn eerste herinneringen beginnen in Kumasi, omsingeld door vrouwen. Ik observeerde ze één voor één. Ik leerde die vrouwen beter en beter kennen. Als een stil kind leefde ik in mijn hoofd en via hun doen en laten en dagelijkse bezigheden maakte ik kennis met de vrouwenwereld. De Zwarte vrouwenwereld.

Ik wilde ze gelukkig maken wanneer ze niet gelukkig waren en wilde die mannen(wereld) die hen in de weg zat neerhalen. Ik had mezelf beloofd om ze ooit blij te maken zoals ze verdienden en die belofte koester ik nog steeds. Door hun achtergestelde positie in de samenleving schreef ik mijn allereerste tekst ooit over vrouwenrechten en armoede. Deze prachtige zwarte vrouwen mocht niks ontbreken. Hun vijand was mijn vijand, maar wat ik nog niet begreep was hoeveel ik op die vijand leek.

Moreel kompas
Ik was een kind dat de wereld tegen zich had omdat ik zwart ben en moest daarenboven uitvogelen wat een man is. En hoe ik met vrouwen hoor om te gaan. Ik heb met mijn vader of opa nooit een gesprek gevoerd over vrouwen, intimiteit en seks. We bedekten het met stiltes of filosofieën over de toestand in Ghana, Afrika en soms elders. Of met humor. Juist omdat we niet communiceerden kreeg ik op straat mijn genderstudie mee – van andere kinderen. Die vrouwen in hun menszijn halveerden. Mijn enige moreel kompas dat mij hielp om me te blijven beteren is mijn kindertijd met mijn tantes en oma in Ghana. Door de constante herinneringen aan de strijd die zij voerden tegen mannen ben ik nooit vervreemd geraakt van de strijd die vrouwen en meisjes, al voordat ze geboren worden, voor de boeg hebben.